19-11-13

ZOLDERKOLDER | Hans Mellendijk




Dromend dubbele bodems gewoeld.
Orde schepen scheppend geschapen.
Schappen schapen schoppend geteld.
Mopwater door dakgoot gespoeld.

Slempen als een zotte Tempelier
op aderlating en op zingeving.
Klotsend kotsend de overleving.
Buiten raaskalt de storm het gier.

Welke wijzigingen wij dan zingen?
De ganggong ging en piepend sop.
Rozen voor Sandra of toch seringen.
Een paard op de gang. Kaddeklop.

Kaddeklop. Voorportaal. Hemelzaal.
Vallende bang, bibberende wacht.
De spieren vieren op blikmetaal.
Het bleef nog lang onrustig die nacht.

Uiteindelijk hersenpan tot rust geslapen.
Bruids- en grafwerk delvend opgeweld.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten